After Red Rubber: Violence and Early Colonial Governance in Belgian Congo (1908-1914)
Toen de Belgische regering in 1908 de Vrijstaat Congo overnam, verklaarden ambtenaren meteen dat ze gebroken hadden met de wreedheden die onder het ‘rode rubber’-regime van koning Leopold II waren begaan. Historici hebben echter vraagtekens geplaatst bij het idee van een onmiddellijke breuk met de uitbuitingspraktijken van Leopold en stellen in plaats daarvan een genuanceerder beeld voor van het vroege Belgische bestuur als een overgangsfase die duurde tot de Eerste Wereldoorlog. Dit artikel is het eerste dat empirische diepgang toevoegt aan het continuïteitsverhaal door drie casestudy’s te onderzoeken over verschillende incidenten die zich tussen 1908 en 1914 in het bosrijke district Aruwimi hebben voorgedaan. Geweld door concessiehouders, meedogenloze militaire onderdrukking en seksuele uitbuiting door een ambtenaar bieden elk aanvullende inzichten in het vroege koloniale bestuur vanuit een bottom-up perspectief. Hoewel deze gevallen het jonge Belgisch Congo in de continuïteit van de wreedheid van zijn voorganger plaatsen, vond het gebruik van geweld in het veld plaats tegen een duidelijk andere achtergrond. De uitputting van wilde rubber, de internationale verontwaardiging tegen de Vrijstaat en de vermeende morele ambities van een jong imperium zorgden voor nieuwe wrijvingspunten. De correspondentie ten gevolge van deze gewelddadige incidenten onthult wrijvingen tussen koloniale principes en de praktijk in het veld, aangezien ambtenaren het oneens waren over de legitimiteit en de toegestane mate van geweld, en over wie dat geweld mocht toepassen. Ondanks de aanvankelijke toezegging van de regering om “buitensporig” geweld te beteugelen, bleef veelzijdig geweld dus de kern vormen van de dagelijkse koloniale praktijken in “Belgisch” Centraal-Afrika.